zoeken

Gezonde bomen in de bestrating

Het ondergrondse gedeelte van een boom, het wortelstelsel, krijgt zelden dezelfde aandacht als het bovengrondse gedeelte: de stam en kroon. Het wortelstelsel is echter van levensbelang voor het gezond tot wasdom komen van de boom, ook als die te midden van een bestrating staat. Vooral in stedelijke gebieden wortelen bomen daar waar zich de beste mogelijkheden voordoen.



Gemeentelijk beleid
Bij het gemeentelijk beleid op het gebied van bomen wordt vaak een onderscheid gemaakt tussen normale, monumentale en bijzondere bomen. Hieronder wordt het volgende verstaan:

- monumentale bomen: Een boom (solitair of als bomengroep of -bomenlaan) in de openbare ruimte of op particulier terrein, die niet in bosverband staat, met een leeftijd van minimaal 80 jaar, die door zijn leeftijd en verschijning beeldbepalend en onvervangbaar is voor het karakter van de omgeving. Een monumentale boom moet in een goede of redelijke conditie zijn. Daarnaast worden herdenkingsbomen en bomen met een grote dendrologische waarde (hetgeen blijkt uit jaarringenonderzoek) ook tot de monumentale bomen gerekend (bij deze bomen geldt het leeftijdscriterium niet);

- bijzondere bomen: Een boom (solitair, als bomengroep of - laan) die in het algemeen ouder dan 50 jaar is en beeldbepalend is voor de openbare ruimte of een bijzondere cultuurhistorische waarde vertegenwoordigt . Onder de categorie bijzondere bomen kunnen ook jongere bomen vallen die opvallen door zeldzaamheid, historie of door hun reden van aanplant; ook omdat er zeldzame planten op groeien of omdat er zeldzame dieren in wonen.

Watervoorziening
De watervoorziening van straatbomen is in de praktijk meestal de factor die bepalend is voor de groei. Wanneer werkzaamheden in de buurt van bomen worden uitgevoerd moet ook goed gekeken worden naar de wijze de boom aan zijn bodemvocht komt. Er zijn bomen die kunnen putten uit het grondwater (met grondwaterprofiel) en bomen die het moeten hebben van hemelwater (met hangwaterprofiel). Een boom met een hangwaterprofiel heeft een enorm, meestal laaggelegen, wortelpakket nodig om voldoende vocht tot zich te kunnen nemen. Een boom met een grondwaterprofiel heeft slechts enkele, diep gelegen, wortels nodig om in zijn waterbehoefte te kunnen voorzien. Of een boom tot het ene of het andere profiel behoort hangt meestal af van de soort boom en van de groeiomstandigheden. In de praktijk profiteert iedere boom uiteraard van beide watervoorraden.

Het kroonvolume van een solitaire boom is doorgaans groter dan dat van een bosboom. Bovendien wordt de kroon van een solitaire boom ook van de zijkant door de zon beschenen, zowel direct als indirect (in de vorm van warmtestraling van/door de zon beschenen wegverhardingen, gevels en ramen van huizen). Hierdoor is de verdamping van een straatboom gemiddeld ca. 1½ maal meer dan die van een bosboom met eenzelfde kroonvolume. Er moet dus ook voor een groter aanbod aan water worden gezorgd of andersom de boomsoortenkeuze moet afgestemd worden op de hoeveelheid water dat de boom ter beschikking staat. Hoeveel deze watervoorraad moet zijn kan globaal worden berekend.

Een gemiddelde straatboom vereist gedurende het groeiseizoen (van april t/m september) een wateraanbod van 750 l./m² kroonprojectie. De gemiddelde neerslag in het groeiseizoen bedraagt 350 mm ofwel 350 l./m². Van de neerslag infiltreert alleen door een elementenverharding te weten door een klinkerbestrating ca. 80 % en door een tegelverharding 70 %. De hoeveelheid water die de bodem aan het begin van het groeiseizoen kan bevatten loopt uiteen van 70 l/m³ voor zand tot 259 l/m³ voor humeuze grond. De aanvoer vanuit het grondwater loopt uiteen van niets (bij diepe grondwaterstanden) tot 2000 l./m² (als de wortels kunnen doordringen tot vlakbij het grondwater).

Aan de hand van bovengenoemde gegevens kan het benodigde doorwortelde bodemvolume worden bepaald.

Andere voedingsstoffen dan water
De belangrijkste voedingselementen die een boom aan de bodem moet onttrekken zijn: stikstof, fosforkalium, calcium, magnesium en ijzer. Dit betekent dat de benodigde hoeveelheid wortels en dus ook de benodigde doorwortelbare ruimte voldoende moet zijn. Afhankelijk van de bodemsoort, boomgrootte en de groeiomstandigheden varieert dit van 0,15 tot 3,20 per m² kroonprojectie; gemiddeld wordt gerekend met 0,75 m³ per m² kroonprojectie. In de praktijk komt dit neer op een volume van:
- 25 tot 40 m³ voor de grote volwassen bomen (hoogte meer dan 15 m.);
- 16 tot 25 m³ voor de kleinere bomen (hoogte tussen de 10 en 15 m.);
- 5 tot 12 m³ voor de kleinste bomen (hoogte lager dan 10 m.).
Wanneer de uitbreidingsmogelijkheden te beperkt zijn, moet de groeiende boom zich met dit beperkte bodemvolume zien te redden. Bij stadsbomen betekent dit dat regelmatig bemesten en water geven een belangrijke taak zal zijn.

Zuurstofvoorziening
Om te functioneren moeten de wortels kunnen ademhalen. Dit ondergronds ademhalen mag niet worden verward dat de bovengrondse koolzuuropname en zuurstofproductie van de boom via zijn bladerenstelsel. Het betreft hier het aspect van de bodemluchthuishouding. De bodem moet zodanig van structuur zijn dat er voldoende gasuitwisseling tussen de bodemlucht en de buitenlucht kan plaatsvinden. Dit proces staat bekend als Fotosynthese. Oorzaken van een slechte ondergrondse ademhaling kunnen zijn:
- de aanwezigheid van verhardingen die vrijwel ondoorlatend zijn voor gas;
- een gering zuurstoftransport in de bodem die te weinig lucht bevat omdat ze te sterk verdicht of (dicht) geslempt is. Dit komt vaak voor bij klei- en leemhoudende bodems;
- te hoge grondwaterstand (tijdelijk of permanent) of een te hoog watergehalte van de grond als gevolg van bijvoorbeeld zware regenval waardoor de lucht uit de bodemporiën werd verdreven. Geadviseerd wordt een grondwaterstand gedurende de zomer van: ten hoogste 10-30 cm onder wortelzone;
- ondergrondse lekkages van een gasleiding of door moerasgas, afkomstig van de afbraak van organisch materiaal.

In stedelijke gebieden, in situaties waar de grond sterk verdicht is en het poriënvolume van de grond te klein is, kan met name de verticale wortelgroei te beperkt blijven of zelfs stagneren tot op een diepte van minder dan 100 cm. Er zijn bepaalde boomsoorten (populier, wilg en els) waarvan de wortels over een bepaalde afstand in zuurstofloze grond doordringen en hier nog in leven blijven. Geadviseerd wordt een bodemzuurstofgehalte van de wortelbodem gedurende het groeiseizoen van : 20-25% (min. 15-20 %)

Indringingsweerstand van de boomgrond
Indringingsweerstanden (ofwel verdichtingswaarden) in de bodem van meer dan 1,0 tot 1,5 MPa (100 tot 150 N) hinderen de wortelgroei duidelijk. Stijgt de indringingsweerstand boven de 3,5 MPa dan wordt het voor de wortels onmogelijk om verder in de grond door te dringen. Een goed verdichte zandbaan heeft volgens de normen een indringingsweerstand van 5,0 tot 6,0 MPa (op een diepte van 0,50 m een maximale conusweerstand van 560 N). In gemeentelijke bestekken staan voorschriften opgenomen voor het verdichten van beplantingsvakken en boomgaten tot maximaal 2 MPa. tot op een diepte van maximaal 0,80 m. Volgens de Standaard RAW moet de indringingsweerstand ter plaatse van beplantingszones of van grasachtige vegetatie na het verdichten 1à 1,5 MPa. bedragen.

Lokaal nazakken
Eén en ander houdt in dat in het belang van bomen de grond naast de stam en boven de wortels (onder de zgn. kroonprojectie) niet en/of niet volledig verdicht mag worden. Dit betekent dus dat na het uitvoeren van werkzaamheden in de nabijheid van bomen het nabij aangebrachte straatwerk (theoretisch gezien) altijd zal/moet nazakken. De invloed van de dynamische belastingen door het verkeer het reiken meestal slechts tot maximaal 1 à 2 m diepte. Maar het eigen gewicht van de ophoging of sleufaanvulling werkt veel dieper door. Het lijkt dan ook onvermijdelijk dat in het straatwerk ter plaatse daarvan ongewenste spoorvorming zal gaan optreden.

Maatregelen bij uitvoering van werken
Bij de uitvoering van grond- en bestratingswerkzaamheden is er de kans dat vitale boomwortels worden beschadigd. Ook kan de boom dood gaan nadat in zijn buurt langdurige of ingrijpende bronneringswerken zijn uitgevoerd.  Veel aandacht is nodig voor de (on)mogelijkheden van verdichting van de aardebaan, een fundering of van een sleuf bij het leggen van kabels en leidingen. Er zijn vakgenoten die de boom als de natuurlijke vijand van de verharding zien.Het omgekeerde is namelijk het geval: iedere verharding is een vijand van de boom. In de Standaard RAW staan in artikel 1.18 bepalingen opgenomen voor de bescherming en handhaving van vegetatie opgenomen, inclusief voor de wortelzone van de bomen. Ook zijn bepalingen opgenomen ten aanzien van de schadevergoeding aan bomen, houtachtige en kruidachtige vegetatie. In bestekken is (bovendien) vaak opgenomen dat bij werken de te treffen maatregelen moeten voldoen aan de richtlijnen van de brochure ‘Boombescherming op bouwlocaties’ van de Vereniging Stadswerk. In veel gevallen kan er zonder al te veel problemen rondom bomen worden gewerkt zonder dat deze beschadigd raken. Vaak zijn er ook geen alternatieven voor het graven in de buurt van bomen denkbaar. Het werken in de buurt van bomen vraagt zorgvuldigheid en kennis. Vaak is het onwetendheid, waardoor direct of indirect schade aan een boom ontstaat.

Tips voor het werken rond bomen
Hans de Vaan heeft tien geboden opgesteld die in acht moeten worden genomen wanneer er in de nabijheid van bomen moet worden gewerkt:

1. Bescherm de stam en de wortels
Breng voor de aanvang van het werk altijd boombescherming aan. Rondom de stam over een hoogte tot 1,60 à 2,50 m. en rondom op de rand van de kroonprojectie (bij voorkeur met koppelbare bouwhekken);

2. Plaats geen bouwmaterialen en geen bouwkeet onder de boom
Voertuigen of bouwketen mogen nooit (tijdelijk) op het wortelpakket geplaatst worden. De opslag van bouwmaterialen is in deze zone eveneens verboden. Dit leidt namelijk tot beschadiging van de wortels en het verdicht de bodem, wat het afsterven van wortels tot gevolg heeft.

3. Houdt bouwverkeer buiten de kroonprojectie
Dat is de rand van de kroon op de grond geprojecteerd. De kroonprojectie (en meestal nog een meter daarbuiten) geldt als de zone waarin zich gewoonlijk de meeste wortels bevinden. Het is dus schadelijk voor de boom om binnen die zone te graven. Als een boom een zuilvorm heeft (veel hoger dan breed is) is het wortelstelsel natuurlijk veel groter dan de kroonprojectie. Ook bouwmachines en parkerende auto’s moeten uit de buurt van de bomen blijven. Wanneer het onvermijdelijk is dat over de (ondergrondse) boomwortels gereden moet worden dienen rijplaatsen geplaatst te worden.

4. Verstoor de bovengrond niet
Handhaaf de bestaande maaiveldhoogte. Binnen de kroonprojectie niets ontgraven. Ophoging alleen onder de strikte voorwaarde van voldoende beluchting van de wortels. Veranderingen in maaiveldhoogte in de buurt van de boom leidt tot wortelschade, structuurbederf en zuurstofgebrek van de bodem.

5. Graaf nooit machinaal binnen de kroonprojectie
Graaf nooit machinaal binnen de kroonprojectie, maar werk zoveel mogelijk handmatig en/of met aangepast materieel. Hak nooit wortels door van meer dan vijf centimeter dik. Indien wortels van kleinere afmeting worden verwijderd, moet dit geschieden zonder de wortels te breken of te trekken. Een bouwput of –sleuf (na)bij de kroonprojectie mag niet langer dan drie weken openliggen. De blootliggende wortels moeten beschermd worden tegen uitdroging en vorst. Voorkom het verdichten van grond in de buurt, in ieder geval binnen de kroonprojectie, van bomen door middel van verdichtingsmachines.

6. Leg kabels en leidingen zorgvuldig aan
Leg kabels en leidingen niet dichter dan twee meter (minimaal 4× de stamdiameter) langs bomen. Pas zo mogelijk sleufloze technieken toe, dat wil zeggen: gestuurd boren onder het wortelpakket door in plaats van een sleuf graven. Maak gebruik van kabelgoten en mantelbuizen.

7. Houdt de grondwaterstand gelijk
Veranderingen van de grondwaterstand leidt tot wortelsterfte vanwege een zuurstoftekort. Zorg bij stijging van het grondwaterniveau voor een damwand buiten de kroonprojectie of pomp het water weg. Let bij grondwaterverlaging op uitdroging. Bij noodzakelijke bronbemaling altijd damwanden plaatsen en zorgen voor een retourbemaling. Wordt er in de periode van april t/m oktober gebronneerd, plaats dan altijd bodemvochtsensoren die wekelijks worden afgelezen. Grijp tijdig in wanneer bomen dreigen te verdrogen of verzuipen.

8. Houdt schadelijke stoffen uit de buurt van bomen
Olie, cementwater, chemische stoffen, zout, zuren of kalk mogen nooit (na)bij bomen gegooid worden.

9. Laat noodzakelijk snoeiwerk door vakkundige boomspecialisten uitvoeren
Zaag nooit zelf zomaar takken of wortels af. Alleen een deskundige kan beoordelen op welke wijze de snoei verantwoord is.

10. Plaats geen dichte verharding over de wortels
Door bodemverdichting ontstaat onder beton en asfalt een tekort aan water en lucht, waardoor wortels afsterven. Overleg altijd met de boombeheerder/vakkundig boomverzorger, indien er knelpunten zijn bij het uitvoeren van deze tien geboden!

Bron: ‘De kunst van Straatbouw & Straatwerk’
Ing. H.H.H.M. de Vaan, auditor, arbiter, docent

 

Betonnen bestrating, oneindig veelzijdig